
TRADITIE EN HISTORIE BIJ HET
GILDE ST. SEBASTIAAN & BARBARA
1.1. Algemeen historisch overzicht
1.2. Organisatie en huishouding Gilden St.
Sebastiaan & Barbara te Moergestel
1.3. De
Caert
1.4. De
overheid:
a) De
Hoofdman
b) De
Schrijver
d)
De koning
f) De
Vaandrig
i)
De keizer
2.1.
Kerkelijke en sociale aspecten
2.2.
De Brabantse gildenfeesten
a)
Kringdag
d)
Landjuweel
2.3.
Het verloop van een
gildenfeest.
Het
is moeilijk te zeggen wanneer de Gilden werkelijk zijn ontstaan
, maar duidelijk is dat ze al vele eeuwen bestaan, en dat ze door de
jaren heen een belangrijke rol gespeeld hebben bij het verdedigen van dorpen en
steden en het beschermen van de plaatselijke bevolking. De Romeinse schrijver Tacitus, in zijn werk over Germanie (100 jaar na Chr.) verhaalt dat de Germanen tezamen woonden in buurtschappen van ongeveer honderd
woningen of gezinnen de zogenaamde honderdschappen. Zo’n honderdschap was een organisatievorm
bij oorlog en veroveringstochten. Door de jaren heen werden deze gemeenschappen
steeds groter en richtte men burengilden op om de orde te handhaven en de
veiligheid door zelfverdediging te verzekeren. De zogenaamde Vredesgilden.
Vooral
in Engeland kwamen deze Vredesgilden rond 900 tot bloei waar door de koningen
werden gesteund. Geschreven staat: Het was ten tijde der invallen der heidensche Noormannen en was ook toen de verdediging der
Kerk en de christelijke beschaving het doel van de Gilden. De Gilden wisten
zich in de loop der tijden geliefd maar ook gevreesd te maken, want in 779 gaf
Karel de Grote een Capitularium uit,
(overgaveverdrag) hen betreffende.
De
oudste ons bekende Gilden werden gesticht ter verdediging van de kerk en hare goederen. Zij die waren zonder smet of blaam werden
waardig bevonden om zulks te doen. Zij zorgden voor de
rust in de gemeenschappen die zich rondom de kerk,of
de kerk en het klooster vormden. Ook op de dag van de Kerkmis, de inwijdingsdag
van de kerk en
waarop ook koning geschoten werd zorgden zij daarvoor. Naderhand kreeg men de
kermis een verbastering van kerkmis. Zij trokken ook ten oorlog met de
landvoogd. Zo stond het St. Jorisgilde uit Heusden (een voet-booggilde) in
1048 onder Johan II achtste Heer van Heusden voor Dordrecht. In 1184 onder Jan IV tegen het
opkomende
’s-Hertogenbosch, en in1224 onder Arnoud Spierikx en Dirk van Merwede naar Gent, om Jacoba van
Beieren te bevrijden die door haar oom Philips van Bourgondië
was ontvoerd en reeds vier maanden in een kerker was opgesloten.
Vlaamse gildenschutters worden in 1159 -1164 vernoemd
bij zo’n lokaal oorlogje. De oudste bekende schutters
ordonnantiën (schuttersgroepen/gilden)
zijn van Leiden 1351 Amsterdam 1394 en Delft 1397. Rond dezelfde periode zijn ook de
Gilden van ambachtslieden ontstaan,doch nu zijn alleen
de schuttersgilden nog over gebleven. De oudste bekende papieren van de Brabantse Gilden (1421) liggen in het Rijksarchief in ‘s-Hertogenbosch.
Het Gilde in Oisterwijk heeft zelfs een hoofdmanspiek uit het jaartal
1411. Ons Gilde heeft een erg gecompliceerde geschiedenis gehad, even boeiend
als die van de gemeenschap,waaruit het is voortgekomen
en waarmee het zo nauw verbonden is. Ons gilde bezit een hoogst interessante,
naar het schrift te beoordelen, 18e eeuwse
kopie van een oudere kaart, waarvan de taal en inhoud van de artikelen doen denken aan een
verlening in de 16e of vroege 17e eeuw. De jaartallen in
de aanhef en slotformule zijn echter of verminkt of geheel verdwenen doordat op
die plaatsen gaten in het papier zitten. Het is evenwel
niet onmogelijk dat het jaartal 1511, dat in plaats van de verminkte
oorspronkelijke datering in de aanhef van de kaart is geschreven, overgenomen
is van oudere niet meer bestaande stukken. Dat in een gemeenschap als de
gemeente Moergestel al in de 15e eeuw een Sint Sebastiaansgilde
heeft bestaan is alleszins aannemelijk.
De
oudste, nog aanwezige, berichten over onze broederschap zijn van 1501 ,, Privilegie van den Edelen hantboog…
1501”. En er zijn kaarten waarin beschreven staat dat ons Gilde in al 1433
Kerkelijk en in 1504 door de Heer van Moergestel werden erkend.
Ook
is er nog het gedicht of raadsel :
Eertijds ick levend was …
Doot sijnde draag ick die het leeven is gegeeven …
Ja ick loop vertigh al ben ik zonder voet …
Van wie het leeven
heeft en nog swijgen moet …
Zo
zou volgens onderzoek van wijlen Jacobus van Elderen
onze Gildenheer het woord “Eertijds” vervangen moeten
worden door het oudere ” Met dat “. Dit zou dan de gelegenheid bieden om in de
eerste letters van het rijm in Romeinse cijfers het jaartal 1504
( M D I V ) te onderkennen.In meer dan een opzicht een boeiend raadsel dus.
Toen
in 1504 de heer van Moergestel het gilde erkende (in 1433 was het gilde al door
de kerk erkend vandaar kerkelijke gilde) werden ook de rechten en plichten van
het gilde vastgelegd in de oude kaart. Veel is er verdwenen van die rechten en
plichten. Deze zijn in deze tijd ook niet te handhaven. De oude kaart is niet
het huishoudelijke reglement maar de grondwet van het gilde. Op 4 oktober 1978
heeft men in de ledenvergadering besloten om een notariële akte op te laten
maken. Op 22 januari 1979 is deze akte (statuten) opgemaakt. Deze notariële
akte kan niet langs de wettelijke bepalingen heen zoals deze vast liggen in het
Nederlands recht. Door deze akte is het gilde een rechtspersoon geworden
waardoor het gilde rechtsbevoegdheid heeft en daarnaast ook ingeschreven kan
worden bij de kamer van koophandel.
Vroeger bestond de overheid uit:
·
De
hoofdman, deze werd benoemd voor het leven.
·
De
standaard rijder en de vaandrig pachtten de standaard en de moedervaan voor het
leven.
·
Ook
schatbewaarder en schrijver was men voor het leven.
·
Voor
de plaats van de koning werd ieder jaar geschoten en dan had men nog een
koningsdeken.
De
akte van 1979 bracht veranderingen met zich mede. Zo kan bijvoorbeeld niemand
zitting hebben in de overheid die niet gekozen is door de leden van de algemene
ledenvergadering. Iemand die wel gekozen wordt kon zonder herverkiezing slechts
twee jaar zitting hebben in de overheid.
Niemand
zal langer dan 12 aaneengesloten jaren een functie in de overheid kunnen
bekleden, met uitzondering van diegene die na al andere functies in de overheid
te hebben bekleed tot hoofdman wordt benoemd. Deze zal slechts eenmaal die
periode van 12 jaar mogen overschrijden.
Alleen
gildenbroeders en gildenzusters die regelmatig de verplichte bijeenkomsten van
het gilde bijwonen zijn benoembaar in de overheid. Geen enkele gildenbroeder en
gildenzuster geniet bijzondere voorkeursrechten
vanwege een benoeming in de overheid.
De
leden in de overheid kunnen slechts 1 functie tegelijk vervullen. De hoofdman
kan bijvoorbeeld niet tegelijk koning zijn. De overheid is altijd
verantwoording verschuldigd aan de algemene vergadering. Zij moet de opdrachten
van de algemene vergadering uitvoeren.
Bij
ons gilde bestaat de overheid thans uit: (top)
De Hoofdman, hij geeft leiding aan
gildenbroeders / gildenzusters en probeert hen te bezielen in hun broederschap.
De Schrijver, hij is rechtsgeldige
secretaris van het gilde.
De Schatbewaarder, deze is rechtsgeldige
penningmeester.
Dan
hebben we nog twee gekozen Dekenen.
En
hiernaast nog een adviescommissie. (top)
Deze
bestaat uit:
·
De koning, hij die rechtmatig de
vogel naar beneden schiet is koning. Hij draagt de eer van het gilde naar
buiten toe. Zonder hem is er geen vendelgroet en hij is niet vervangbaar.
·
De Standaardrijder, als het gilde uittrekt
rijdt hij voorop en maakt hij de weg vrij voor het gilde. Bij het koningschieten rijdt hij driemaal om de boom om boze
geesten te verdrijven.
·
De Vaandrig,
hij is de drager van de moedervaan en moet zorgen dat het vaandel met eerbied
wordt behandeld. Hij is hoofd van de vendeliers.
·
De koningsdeken, als er een nieuwe koning
komt wordt de voorafgaande koning, koningsdeken. Tenzij deze hiervan afstand
doet.
·
De
Gezworen of Opperdeken, hij is door leden van de algemene
vergadering gekozen. Zijn taak is op te treden als ceremoniemeester en waken
over de discipline na het gilde in de optocht.
·
De
keizer, Iemand die
voor de derde keer achtereen koning schiet is keizer voor het leven.
Al
deze taken worden uitvoerig behandeld in de statuten en huishoudelijk
reglement.
Veel
is er door de jaren heen veranderd in het gilde maar het grootste goed van het
gilde is gebleven, broederschap!
Van
oudsher onderhouden de gilden nauwe banden met de kerk. Zo ook ons gilde. In de Caert van ons staat onder meer
aangegeven dat op de zondag voor het koningsschieten
men dit in de kerk zal laten afkondigen. Voor het koningsschieten
zelf gaat het gilde naar de kerk om te bidden. Op het patroonsfeest van St. Sebastiaan zal ons gilden een plechtige gezongen mis laten
opdragen met de diaken op pastoor. Iedereen moet daarbij aanwezig zijn en een
offer (collecte) brengen. In de kerk zelf nemen de vendeliers
plaats links en rechts van het priesterkoor. De tamboers doen dit aan één zijde
voor het priesterkoor. De vaandrig stelt zich tijdens de consecratie voor het
altaar op en brengt de zogenaamde koningsgroet. Voor de collecte wordt een
gildentrom voor het altaar geplaatst waarop men de ‘zilveren penning’ (euro’s
tegenwoordig) kan offeren. Na de kerkdienst vertrekt het gilde zoals het is
binnengekomen, vendelend en trommend. Normaal wordt buiten de kerk nog een
vendelgroet aan de pastoor gebracht. Bij ons gilde is dit geen vast gebruik.
In
het verleden was het ook gebruik uit te trekken met de processie op
Sacramentsdag. Dit kerkelijk gebruik is al een hele
tijd afgeschaft. Veel van de oude tradities bestaan niet meer, maar het
inzegenen van bijvoorbeeld een nieuw Gildenvaandel is nog
steeds een goed gebruik.
Een
gebruik dat nog steeds van toepassing is, is het begraven van een overleden
gildenbroeder. Hierbij wordt volgens een vast ceremonie afscheid genomen door
het gilde. Zonder geldige reden wordt afwezig van een gildenbroeder zeer
kwalijk genomen. De belangrijkste gebruiken bij een begrafenis kunnen als volgt
worden samengevat. Wanneer de baar in de kerk is aangekomen ontdoet de hoofdman
de gildenkoning van het koningszilver en legt dit over het midden van de kist.
Het stoffelijk overschot wordt gedragen door 6
gildenbroeders. De hoofdman en de koning lopen achter de baar en voor de
familie. Deze volgorde symboliseert de gedachte, dat men zijn vrienden wèl, maar zijn familie niet kiest. Bij het trekken in de kerk en naar het
kerkhof worden het gildenvaandel en de vendels in rouw gedragen. De tamboers
zullen op aangepaste wijze de trommels roeren. Ook hier wordt tijden de
consecratie de vendelgroet gebracht maar nu boven de overledene. Op het kerkhof
brengt het gilde een laatste groet. Onder trommelgeroffel brengt treedt de
vaandrig naar voren en laat vervolgens het vaandel op de kist rusten, terwijl
de vendeliers hun vendel schuin neerwaarts in de
richting van de kist ten groet buigen. Na deze plechtigheid wordt het
koningszilver weer van de kist genomen en de koning omgehangen. Daarna gaat
ieder in stilte weer naar huis of de gildenkamer.
De
gilden hebben altijd in dienst van de gemeenschap gestaan. Vroeger voor
vermaak, maar ook het beschermen van de dorpen en steden. Maar wat valt er vandaag de dag nog te
beschermen. We hebben toch het leger, politie, Mobiele Eenheid, Rode Kruis,
noem maar op. De meeste gilden vinden en dat geldt ook voor ons gilde dat wij
een beschuttende taak hebben
voor de eigen oude tradities en gebruiken. Van belang is dat wij
onderlinge vriendschap koesteren en bewaken. Leven naar godsdienstige en
burgerlijke wetgeving. Het kan alleen maar goed zijn als genootschappen, zoals
de gilden bestaan
dat ook tonen en daarbij een voorbeeld geven van onderlinge trouw en
eensgezindheid.
Een
aantal malen per jaar worden wij als gilde uitgenodigd om aan een gildenfeest
deel te nemen. Iedereen in
Kringdag (top)
Een van de hoogtepunten is bijvoorbeeld de kringdag.
Sinds 1935 zijn de bijna 200 Brabantse gilden verdeeld in zes regionale
kringen; Land van Cuyk, Maasland, Peelland,
Kempenland, Baronie en Markiezaat
en het kwartier van Oirschot. Ze werken samen in de overkoepelende
Noord-Brabantse Federatie van Schuttersgilden. Een keer per jaar wordt in elke
kring een kringdag georganiseerd door een of soms ook meerdere gilden. De
aangesloten gilden uit de desbetreffende kring zijn verplicht hieraan zo
voltallig mogelijk deel te nemen. Deelname van een gilde buiten de kring wordt
alleen toegestaan indien deze wordt uitgenodigd door het organiserende gilde.
Vrij gildenfeest (top)
Een vrij gildenfeest lijkt sprekend op een kringgildendag alleen mogen hier ook gilden uit andere
kringen inschrijven voor deelname. Vaak organiseert een gilde een vrij
gildenfeest bij een speciale gebeurtenis, bijvoorbeeld bij een 500 jarig
bestaan.
Liefdadigheidsfestijn (top)
Een liefdadigheidsfestijn is een vrij gildenfeest
waarbij de opbrengst wordt geschonken aan een goed doel.
Landjuweel (top)
Een landjuweel is het grootste Noord-Brabantse
gildenfeest. De opzet is gelijk aan de andere gildenfeesten, alleen is dit erop
gericht om een zeer groot aantal gilden uit te nodigen. De oorsprong van het
landjuweel ligt in de middeleeuwen. In de middeleeuwen hadden vorsten, edelen
en kerk het voor het zeggen. In het krachtspel tussen deze machten speelden de
gilden een hoofdrol. Tegen het einde van de middeleeuwen groeide de macht van
de nog jonge steden en die van de burgerij. De gilden mochten zeker geen
hoofdrol meer spelen. Ze mochten alleen bijspringen als de stedelijke overheid
of de hertog van Brabant zelf daarom vroeg. Als goedmaker mochten de gilden wel
“spelen en ontspanning” hebben. Ze mochten wedstrijden houden en landjuwelen
organiseren om elkaar bezig te houden. Landjuwelen waren dus schietspelen met
een grotere nadruk op feest dan op wedstrijd en werden in de steden gehouden.
De steden verleenden alle medewerking met faciliteiten, geld en arbeid. Het
werk werd stilgelegd en de hele bevolking kon dagen achtereen genieten van
optochten, schietwedstrijden en voorstellingen. Een landjuweel duurde soms wel
een maand en uit de wijde omtrek kwam volk toegestroomd om zich te vermaken. De
naam landjuweel is afkomstig van de prijs van het feest, er was een juweel te
winnen. Ook is de naam alleen bekend uit Brabant.(Noord-Brabant in Nederland en
Brabant in België was één gebied). De landjuwelen werden ingericht door hand-, voet- of kruisbooggilden.
De eerste wedstrijd voor zover bekend is die van de handboog in Leuven in 1411.
Het laatste landjuweel werd in 2001 te Helmond gehouden en er namen 145 gilden
aan deel. In Oirschot in 1980 waren 117 gilden
aanwezig. In vroegere tijden omvatte een landjuweel 7 wedstrijden met soms
tussenpozen van enkele jaren. Er werd slechts met één type wapen geschoten. De
winnaar van het laatste juweel moest een nieuw landjuweel organiseren en één
schaal als prijs ter beschikking stellen. De winnaar moest een landjuweel
organiseren en een tweede schaal ter beschikking stellen. Dit herhaalde zich
totdat het zevende landjuweel werd gewonnen. De winnaar mocht de zeven schalen
houden en had de verplichting een volgend landjuweel te organiseren. De huidige
landjuwelen duren slechts een of twee dagen en zijn enkelvoudig zonder verband
met vorig of volgend schietspel. Ook kennen ze niet
één winnend gilde maar zijn er vele prijzen te verdienen verdeeld over diverse
wedstrijden.
Federatiedag In de federatie was het de bedoeling
elke drie jaar een landjuweel te houden met een historisch feit als ondergrond.
Maar men kon zich niet aan de afspraak van drie jaar houden. Daarom werden
sommige grote ontmoetingen aangeduid als federatiedag.
De gildendag begint ’s morgens vroeg met een H. Mis
voor de hoofdmannen, de keizers en koningen en andere genodigden. Het is overigens
wel zo dat iedereen naar de kerk mag komen. Na de H. Mis is het gebruikelijk
dat er voor de officiële kerkgangers een koffiemaaltijd wordt geserveerd.
Vervolgens gaat de stoet van hoogwaardigheidsbekleders naar het gemeentehuis of
een andere locatie waar men wordt ontvangen door het gemeentebestuur. Hier
wordt ook de erewijn gedronken en houd de burgemeester een toespraak.
Rond de klok van 12.00 uur maken de gilden zich op
voor het vertrek van de optocht. Meestal loopt het organiserende gilde voorop,
soms voorgegaan door een harmonie. Er word gelopen in de optocht en niet
gemarcheerd of in de pas gelopen. Als een gilde beschikt over een
standaardrijder gaat deze met zijn paard het gilde vooraf en maakt zigzaggend
de weg vrij voor het gilde. Vervolgens komt de vaandeldrager (vaandrig), en
daarna de tamboer(s). Bij de gilden zonder standaardrijder komt vaak de
omgekeerde volgorde voor. Na de tamboers komen de vendeliers,
daarna de koning en eventueel de koningin en de keizer. Daarachter lopen de zilverdragers.
Na de zilverdragers komen de hoofdlieden en daarachter de gildenbroeders met of
zonder hun wapens.
Sommige mensen zijn van mening dat een
schuttersgilde als zodanig herkenbaar moet zijn, dus dat de gildenbroeders niet
met lege handen mogen lopen. Bovendien symboliseert dit de historische
betekenis dat een gilde een beschuttende functie heeft. Wie zeker niet vergeten
mag worden is de nar. Hiervan word gezegd dat deze een dienstverlenende functie
ten opzichte van de gildenkoning zou hebben. Hij poetst bijvoorbeeld de
schoenen van toeschouwers tijdens de optocht. De functie van de nar in een
gilde lijkt eenvoudig, maar het tegendeel is eerder waar. De optocht trekt
altijd langs de kerk en gezien vanaf de tribune komen de gilden van links het
gildenterrein opgelopen. Tijdens de optocht, vanaf de tribune en op het veld
word er gejureerd. Hierbij wordt gekeken naar o.a. de aanwezigheid van; een
standaardrijder, een of meer tamboers, een of meer vendeliers,
een nar, een standaarddrager, het meedragen van wapens. Bij het voorbijtrekken
worden de vendels bij wijze van groet zijwaarts naar de tribune gericht, met
uitzondering van het moedervaan, hiermee word niet
gegroet. Als alle gilden binnen zijn gaan de standaardrijders zigzaggend over
het veld in parade langs de tribune om vervolgens rechtsaf het veld af te gaan.
De binnengekomen gilden stellen zich aan de overzijde van de tribune in de
lengterichting van het veld op. Op de voorste rij alle tamboers naast elkaar,
daarachter bazuinblazers, keizers koningen en hoofdlieden, en alle vaandrigs en
vendeliers. Op het commando: “voorwaarts mars…”, komt
de hele groep met donderend geweld van de trommen in de richting van de tribune
om daar halt te houden. Alleen de vendeliers zijn
keurig verdeeld op het veld blijven staan. Vervolgens worden
gelegenheidstoespraken gehouden. Dan word de eed van trouw afgelegd aan de
burgemeester (het burgerlijke gezag) en soms ook aan de pastoor (kerkelijk
gezag) door de vaandeldrager van het organiserende gilde in naam van alle anderen.
Na het spelen van het Wilhelmus wordt door alle vendeliers
een gezamenlijke vendelgroet gebracht. Als de vendels zijn opgerold ten teken
van einde wordt een commando gegeven om terug te gaan naar de overzijde van het
veld.
Dan begint men met de wedstrijden. Er zijn
wedstrijden voor vendelen, trommen, bazuinblazen, standaardrijden,
de tentoonstelling, gildendansen en het schieten. Alle wedstrijden vallen onder
de bepalingen van de Noord-Brabantse Federatie van Schuttersgilden. Uiteraard
zijn er verschillende wedstrijden voor de verschillende wapens. Dit kan zijn
individueel (personeel) of met viertallen. Met de handboog op doel of naar de
wip. Met de kleine kruisboog op doel of naar de wip. Met de balansboog alleen
op doel. Met het geweer naar de wip of naar een klos hout (kleine gaai). Verder
kunnen de koningen en keizers van de verschillende wapens elkaar bekampen om
een konings- of keizerskruis. De prijzen bestaan uit
massief zilveren schilden en worden op dezelfde dag uitgereikt. Tijdens het
wachten op het uitreiken van het zilver is het doorgaans redelijk druk in de
feesttent en word er volop geproost en getoost voor wéér een schild.
·
“De
Noord-Brabantse Schuttersgilden” van de website van NBFS (Noord-Brabantse
Federatie van Schuttersgilden) www.schuttersgilden.nl
·
“Met
vliegend vaandel en slaande trom” Alfons Ising
·
“Brabantse
Schuttersgilden Vroeger en Nu” Alfons Ising
·
“SCHUTTERSGILDEN
in Noord-Brabant” Willem Iven Jan Bogaerts Tevan
Gerwen
·
“Onder
de Schutse van het Gilde” Alfons
Ising